Het aantal eenheden (treinen)
dat maximaal in een bepaalde tijdsduur van een infrastructurele voorziening
gebruik kan maken gegeven de produktie uitgangspunten en de gegeven maximale
baanvakbelasting.
Berekening van de capaciteit is alleen mogelijk indien
bekend is in welke frequentie treinen met welke snelheid rijden met hun
onderlinge volgorde. Bij bepaling van de rijsnelheden dient ook rekening
gehouden te worden met de materieel afhankelijke optrek- en remkaracteristieken.
De laagste capaciteit heeft een enkel stuk spoor dat (om en om)
in twee richtingen wordt gebruikt. De lengte, exploitatiesnelheid en
het beveiligingsysteem zijn zeer bepalend.
De hoogste capaciteit is een spoor in een richting gebruikt met
alleen treinen met gelijke eigenschappen: zoals zelfde haltering, aanzet
en afremsnelheden, halteertijden, enz. In de London Undergroud is 33
treinen per uur het absolute maximum. In Nederland is bij afwisselend
stoptrein, intercity gebruik: 8 treinen per uur al zeer veel.
Het percentage dat aangeeft in
hoeverre een baanvak (tussen twee knooppunten) theoretisch bezet is. Hoe
hoger het percentage, hoe minder ruimte er beschikbaar is om verstoringen
in de treinexploitatie te kunnen opvangen. Berekening van de baanvakbelasting
is alleen mogelijk indien bekend is in welke frequentie treinen met welke
snelheid rijden met hun onderlinge volgorde. Bij bepaling van de rijsnelheden
dient ook rekening gehouden te worden met de materieel afhankelijke optrek-
en remkaracteristieken.